UCI 100Enkele beschouwingen met betrekking tot de Mondiale Doping Conferentie

2-4-Februari 1999 - Lausanne, SUI


M. Hein Verbruggen - Prťsident - UCI
... also available in English ... go! / allez!

Introductie | Doping in de sport | De toekomst | Van "fair play" tot de dopingdefinitie | EPO | De lijst van verboden producten
IOC labs | De UCI en dopingbestrijding | Conclusies | Epiloog

V. EPO
In het vorige hoofdstuk heb ik reeds gesproken over gezondheidscontroles die meer en meer het centrale punt zullen zijn voor de toekomstige anti-dopingstrijd. Meer nog dan anti-dopingcontroles zullen regelmatige medical check-ups ons in staat stellen om de 3 anti-doping objectieven te realiseren, namelijk:
  1. bescherming van de gezondheid.
  2. medische en sportieve ethiek.
  3. gelijke kansen.
Met de introductie van EPO in de sport worden we sinds het begin van de 90-er jaren geconfronteerd met een, voor duursporten vooral, zeer efficiŽnt dopingpreparaat wat bovendien tot de dag van vandaag, onopspoorbaar is via normale anti-dopingcontroles. Drie federaties, FIS, Biathlon en UCI hebben besloten om via bloedtesten gevaarlijk misbruik van EPO in te dammen. In wielrennen werkt dit als volgt:
  • EPO wordt gebruikt om de rode bloedcellenconcentratie te verhogen. Uitgedrukt in percentage haematocriet heeft een normaal persoon rond 43 ŗ 44. In 1988 (vůůr de EPO-problematiek) vonden we 43,5% gemiddeld bij 700 topwielrenners! De UCI voert bloedtesten uit, overigens met volledige medewerking van de atleten, en heeft in gezamenlijk overleg met de teamdokters bepaald dat een haematocriet tot 50% acceptabel is.
  • "Acceptabel" moet hier worden vertaald als "ongevaarlijk", dat wil zeggen dat meer dan 50% haematocriet als een gevaar voor de gezondheid beschouwd wordt. Het wil dus niet zeggen dat het acceptabel is de haematocrietwaarde met behulp van EPO tot 50% op te voeren.
  • Deze controles hebben dus zeer uitgesproken het karakter van gezondheidscontroles en dus niet van anti-dopingscontroles. Dit laatste kan immers niet, omdat EPO onopspoorbaar is en we dus niet kunnen bepalen of een verhoogd haematocrietgehalte een gevolg is van EPO misbruik of bijvoorbeeld verblijf in het hooggebergte (dit laatste heeft een identiek effect op de bloedcellen). Als gevolg hiervan vindt er dus geen bestraffing plaats wanneer er een haematocriet van boven 50% gevonden wordt. De betrokken renner krijgt wel een gedwongen rust of herstelperiode voorgeschreven van 15 dagen.
Enkele feiten na 2 jaar en 2147 bloedtesten:
  • Een gering aantal renners (15) heeft een natuurlijke haematocrietwaarde van boven de 50%. Na een gedegen onderzoek krijgen ze een certificaat; ze blijven uiteraard onder controle.
  • De gemiddelde haematocriet die gevonden wordt is 45,5%. Deze dient vergeleken te worden met de 43,5% van vůůr het EPO-tijdperk. Er is dus sprake van een stijging, zonder enige twijfel een sterke indicatie voor EPO misbruik (zie verder over Festina), alhoewel het bemoedigend is, dat 45,5% nog geen 50% is.
  • In totaal werd bij 30 renners een haematocriet van boven de 50% vastgesteld. Dat is 1,4% van het totaal aantal controles.
Wij kloppen ons niet op de borst met deze anti-EPO bloedtests. We kennen zeer wel de tegenargumenten, met name:
  • betekent het toestaan tot 50% haematocriet een legalisering van EPO gebruik (geen misbruik in dat geval) tot die grens?
  • betekent het toestaan tot 50% haematocriet dat diegenen die absoluut geen EPO wensen te gebruiken alsnog gedwongen worden om dat te doen omdat ze weten dat anderen (hun concurrenten) minder problemen hebben met EPO-toedieningen?
Maar zijn we beter af zonder die limiet? Zonder iets te doen?

Voor dit soort problematiek word je dus als bestuurder van een IF gesteld. Die begint met de farmalogische industrie die dit soort medicamenten met als "bijwerking" een efficiŽnte sportprestatieverhoging, zonder enig overleg met de sportwereld en met goedkeuring van de overheid op de markt zet. Vervolgens wordt dit uiterst snel door het louche gedeelte van de sportgeneeskunde aan atleten verstrekt met als argument "wat niet ontdekt kan worden is geen doping". Daarna is het woord aan de experts binnen de sport die, meestal laat, het product op de lijst van verboden middelen zetten maar tegelijkertijd "en passant" vermelden niet in staat te zijn om het product in reguliere dopingcontroles op te sporen. En daarmee ligt het volledige probleem zonder adequate oplossing op de tafel van de sportbestuurders, in ons geval de IF's dus. Die hebben vervolgens de keus tussen niets doen of, zoals de UCI, via een indirecte manier in elk geval ťťn aspect van onze anti-dopingpolitiek realiseren, namelijk de gezondheid van de atleet. Want de hierboven besproken anti-EPO bloedtesten zijn in elk geval een serieuze poging om de gezondheid van de atleet veilig te stellen (zie punt 1 van onze anti-doping objectieven), waarbij we ons zeer wel realiseren dat we machteloos zijn met betrekking tot het ethische gedeelte (punten 2 en 3 van die objectieven). We kunnen niet, zoals we met dopingcontroles wel kunnen, het fair play aspect garanderen aan onze atleten, immers EPO kan gebruikt worden en, zoals de Tour-gebeurtenissen hebben aangetoond, wordt gebruikt. In de zaak van de Festina-ploeg ging het om manipulatie met EPO tot aan de toegelaten grens van 50%. Ploegleiding, doktoren en renners verdedigen zich met als "argument" dat wanneer boven 50% verboden is, beneden 50% toegestaan is. Ook hoort men als even absurd argument dat als iedereen tot 49% haematocriet EPO gebruikt niet alleen de gezondheid gediend wordt maar tevens het "gelijke kansen" principe.

Toch verdient dit laatste punt aandacht, zij het vanuit een ander gezichtspunt. De realiteit is dat de meerderheid van dopinggebruikers dit eigenlijk doet vanuit de overtuiging dat anderen het ook doen! Atleten zouden in categorieŽn ingedeeld kunnen worden, namelijk:

  • diegenen die welbewust en doelbewust doping gebruiken; een minderheid denk ik;
  • diegenen die er de voorkeur aan zouden geven om het niet te doen, maar zich gedwongen voelen vanwege de overtuiging (of onzekerheid) over het gedrag van hun concurrenten;
  • diegenen die geen dopingproducten gebruiken maar zich wel uitgebreid medisch laten bijstaan (dus met chemisch exogene producten, zie de lijst in het vorige hoofdstuk);
  • diegenen die al het "medische" afwijzen; een minderheid in topsport vrees ik.
CategorieŽn 1 en 2 zijn dopingzondaars, maar als we categorie 2 beter tegen categorie 1 zouden kunnen beschermen zouden we al veel oplossen. CategorieŽn 3 en 4 bezondigen zich niet aan doping maar de vraag werd reeds eerder gesteld of het gedrag van 3, gesteld tegenover 4 wel fair is. Uiteindelijk is het enige verschil tussen de categorieŽn 1 en 2 enerzijds en 3 anderzijds het gebruik van middelen die al (1 en 2) dan niet (3) op de lijst voorkomen maar in de grond hebben ze dezelfde bedoeling, namelijk hun prestaties "onnatuurlijk" te verbeteren.

In dit hoofdstuk heb ik vooral willen schetsen wat de realiteit is met betrekking tot onopspoorbare producten en de onmogelijkheid om als gevolg daarvan de goedwillenden tegen de kwaadwillenden te beschermen. Tevens heb ik aangegeven dat bloedtests, en in het vervolg daarvan meer gesophisticeerde medische tests in de toekomst, wellicht niet het definitieve maar wel optimaal haalbare antwoord is, met alle negatieve aspecten van dien. Het beschermt in elk geval de gezondheid van de atleet. De indeling in categorieŽn stelt u in staat om een beeld te vormen over de complexiteit en dient wellicht ook om hen die veel heil verwachten van hoofdzakelijk repressie te wijzen op de verschillen tussen de diverse soorten "zondaars". Dit zou tot conclusies moeten leiden met betrekking tot het sanctiebeleid.


Introductie | Doping in de sport | De toekomst | Van "fair play" tot de dopingdefinitie | EPO | De lijst van verboden producten
IOC labs | De UCI en dopingbestrijding | Conclusies | Epiloog